Kunst : Tentoonstellingen in Boedapest
7 tentoonstellingen in de musea van Boedapest uit onze lijst — met data, locatie en waarom ze de moeite waard zijn.
«Lumino» en «Minieffekt» van Nicolas Schöffer (1912-1992) staan hier tegenover «Holld» en «Doupla» van Victor Vasarely (1906-1997). Beiden verlieten Hongarije voor Frankrijk met enkele jaren verschil en kwamen van tegenovergestelde kanten op hetzelfde uit: de een via de cybernetische kunst, waarin beweging en licht het werk doen, de ander via het gezichtsbedrog. Eén zaal is er voor nodig. De opstelling hoort bij «Vasarely 120», de retrospectieve in het Museum voor Schone Kunsten, en één kaartje, «Vasarely-trio», geeft toegang tot beide en tot een derde tentoonstelling in Neo. Samenstellers: Mónika Zombori en Vera Pócs.
Wat over is wordt getoond: documenten, het portfolio van 1977-1986 en de voorwerpen uit de voorstellingen zelf — een bal, een meloen, een grammofoonplaat, een doodskist, een kaars, een lucifer. Daarmee, en niet met een verhaal, gingen András Böröcz (1956) en László László Révész (1957-2021) het toneel op; tijdgenoten noemden het schilderstheater, want beiden hadden de schildersopleiding gedaan. Zij leerden elkaar kennen bij het toelatingsexamen van de Academie, kwamen terecht in de INDIGO-groep van Miklós Erdély en traden van 1977 tot 1990 samen op, met Shakespeare en Goethe, Mozart en Moesorgski ernaast en met combinaties die gaandeweg vreemder werden. Noord-Amerika nodigde hen in 1984 uit, de documenta in Kassel in 1987.
Meer dan duizend werken uit enkele schildersjaren, want Béla Gruber werd niet ouder dan zevenentwintig. De kunstschool had hem afgewezen. Van 1952 tot 1956 sjouwde hij op de scheepswerf van Óbuda en tekende er, waarop men hem naar de decoratieafdeling overplaatste; aan de Academie noemde zijn leermeester Aurél Bernáth hem vanaf 1959 «het kleine genie». Vijf afdelingen volgen die korte weg: stillevens, de aken die voor hem lagen, portretten en zelfportretten, uit het bezit van de Nationale Galerij en uit Hongaars particulier bezit.
Honderdvijftig stukken van vijfenzeventig handen, van schilderijen en prenten tot foto’s, beeldhouwwerk, objecten en archeologie, over wat Italië voor Hongaarse kunstenaars is geweest van de negentiende eeuw tot nu. In de negentiende ging men er voor de academies, en voor de Rafaëls, Titiaans en Caravaggio’s die in de kerken hingen; Antal Ligeti bracht er zijn landschappen vandaan. János Vaszary sprak over het land als «kleur, licht, beweging en leven». De tentoonstelling opende met de Bartók-Lente, de internationale kunstweken.
«Apocalyps met poppen en machines» heet het blad waarmee Béla Kondor in 1956 een reeks afsluit die vier eeuwen eerder begint. Albrecht Dürer legde vast hoe het einde van de wereld eruitziet, en twee eeuwen prentkunst bleven binnen dat beeld; wat van blad tot blad verschuift is de leer, en zij is af te lezen aan de schikking van de figuren zelf. Volledige gegraveerde reeksen bij de Openbaring van Johannes zijn zeldzaam, en hier hangen de reeksen die ertoe doen: naast Dürer Lucas Cranach de Oude met zijn werkplaats, de burijnbladen van Jean Duvet, de litho’s die Odilon Redon in 1899 uitbracht.
Er is niets kant-en-klaar naar binnen gedragen: Orsi Nyíri (1995) schilderde haar installatie ter plaatse, midden in de vaste opstelling «Pasverandering», terwijl de bezoekers van die zalen het werk zagen vorderen. Het geheel valt in vier delen uiteen, van het ogenblik waarop het idee komt tot het uitdoven, met daartussen de levenslust, de schrik die daarachter zit en het verlangen naar wat onbereikbaar blijft. Op de doeken staan een slapende Venus en een Annunciatie naast regels van William S. Burroughs, een T-shirt van The Jesus Lizard en een schoen uit «Kill Bill». Op de laatste dag gaat alles kapot, en zo was het van het begin af bedoeld. Samenstellers: Katalin Harangozó, Sára Major, Linda Alexandra Tarr.
Onder Achnaton werd een reliëf opnieuw gesneden voor prinses Meritaten, en die tweede snede is nog te zien; het laboratoriumonderzoek van de laatste jaren heeft zulke correcties aan het licht gebracht. Het gaat hier om het ambacht: met welke materialen men werkte, welke regels de tekening beheersten, waar de hand misging en hoe de fout werd hersteld. Er ligt een kalkstenen ostrakon vol leerlingentekeningen uit de dertiende tot elfde eeuw voor onze jaartelling, en een beeldhouwersmodel met ramskop uit de Late Periode. Het meeste komt uit de eigen Egyptische afdeling, aangevuld door de Ny Carlsberg Glyptotek in Kopenhagen en het Egyptisch Museum van Turijn. Samenstellers: Katalin Anna Kóthay en Flóra Judit Kövei.