Uw browser is ouder dan deze pagina. De catalogus is ook hier te lezen: de lijst, de filters en de kaarten werken. Uw browser markeert de gekozen filters met gewone vinkjes, zo goed als het gaat. Werk uw browser bij om de pagina te zien zoals ze bedoeld is.
⤢Op de foto het museumgebouw: Nationale Galerie · Christo, CC BY-SA 4.0 ·Wikimedia Commons
De schilderinstallatie van Orsi Nyíri (1995) is gemaakt binnen de vaste opstelling «Pasverandering» en niet kant-en-klaar naar binnen gedragen: het hele werk gebeurde voor de ogen van de bezoekers. Vier delen lopen van het ontstaan naar het verdwijnen: de schilder op het ogenblik dat het idee komt; de levenslust en de angst erachter; het verlangen naar het onbereikbare; het uitgaan. Op de doeken houden een slapende Venus en een Annunciatie gezelschap aan regels van William S. Burroughs, een T-shirt van The Jesus Lizard en een schoen uit «Kill Bill». Op de sluitingsdag houdt de installatie op te bestaan, en dat hoort bij het plan. Samenstellers: Katalin Harangozó, Sára Major en Linda Alexandra Tarr.
Een kleine tentoonstelling voor twee. Nicolas Schöffer (1912-1992) en Victor Vasarely (1906-1997) verlieten Hongarije enkele jaren na elkaar voor Frankrijk en kwamen van tegenovergestelde kanten op dezelfde plek uit: Schöffer bij de cybernetische kunst, waar beweging en licht het werk doen, Vasarely bij de gezichtsbedrog. «Lumino» en «Minieffekt» van Schöffer staan tegenover «Holld» en «Doupla» van Vasarely. Het is het pendant van de retrospectieve «Vasarely 120» in het Museum voor Schone Kunsten; één «Vasarely Trio»-kaartje opent beide en een derde tentoonstelling in Neo. Samenstellers: Mónika Zombori en Vera Pócs.
András Böröcz (1956) en László László Révész (1957-2021) leerden elkaar kennen bij het toelatingsexamen van de Academie voor Beeldende Kunsten, kwamen in de INDIGO-groep van Miklós Erdély terecht en maakten van 1977 tot 1990 samen performances. Tijdgenoten spraken van «het theater van de schilders»: beiden waren als schilder opgeleid, en wat zij het toneel op droegen waren geen plots maar dingen — een bol, een meloen, een grammofoonplaat, een doodskist, een kaars, een lucifer. Uit die haast niemendalletjes groeiden steeds vreemdere constellaties, terwijl Shakespeare en Goethe, Mozart en Moesorgski meeliepen. In 1984 toerden zij door Noord-Amerika; in 1987 stonden zij op de documenta in Kassel. Getoond wordt wat bewaard bleef: documenten, het portfolio van 1977-1986 en voorwerpen uit de performances.
Gruber werd zevenentwintig, had daarvan enkele jaren om te schilderen en liet meer dan duizend werken na. De kunstschool nam hem niet aan, en van 1952 tot 1956 was hij sjouwer op de scheepswerf van Óbuda; hij tekende ook daar, waarop men hem naar de decoratieafdeling verplaatste. Aurél Bernáth, vanaf 1959 zijn leermeester aan de Academie, noemde hem «het kleine genie». Stillevens, aken, portretten en zelfportretten uit het bezit van de Nationale Galerij, aangevuld met bruiklenen uit Hongaars particulier bezit, staan in vijf afdelingen die zijn korte weg volgen.
Honderdvijftig stukken van vijfenzeventig handen — schilderkunst, prentkunst, fotografie, beeldhouwwerk, objecten en archeologie — over wat Italië voor Hongaarse kunstenaars is geweest, van de negentiende eeuw tot nu. In de negentiende ging men er voor de academies en voor Rafaël, Titiaan en Caravaggio in de kerken; Antal Ligeti bracht er zijn landschappen vandaan, en János Vaszary sprak over Italië als «kleur, licht, beweging, leven». De tentoonstelling maakt deel uit van de internationale kunstweken Bartók-lente.
Honderd kunstenaars, ontwerpers en ambachtslieden uit heel Rusland, gekozen door de samensteller van het project. Het thema van dit jaar is het toekomstbeeld van wie met de erfenis van hun voorouders werkt. In het tentoonstellingscomplex aan het Revolutieplein.
van wereldbetekeniswaardering van het museumvanaf ₽ 500 ≈ € 5
Tretjakov kocht iconen in de jaren negentig, enkele jaren voor zijn dood. Van dit deel van zijn verzamelen weet men het minst. Ruim zestig panelen uit de vijftiende tot de negentiende eeuw, waarvan vele voor het eerst te zien: de Novgorodse «Predsta Tsaritsa» uit de vijftiende eeuw, de Igorevskaja Moeder Gods van Tederheid uit het begin van de zestiende, werk van de tsarenmeesters en de Stroganovs, bijeengebracht met hulp van antiquairs en van kenners van oude dingen. Daarnaast wordt verteld hoe de iconen in de zalen van de Galerij kwamen en hoe zij in 1929–1932 door Europa reisden; tweede verdieping van het Ingenieursgebouw.
Ruim zevenhonderd stukken: beeldhouwwerk en schilderkunst van het Russische boeddhisme, vrijwel alles voor het eerst te zien. Voor de opening werden meer dan honderd beelden gerestaureerd.