Geen “kindermusea”, maar musea waar een kind iets te zien en te begrijpen heeft. Bij elk staat vanaf welke leeftijd dat werkt: eerder levert het bezoek vermoeidheid op in plaats van een indruk.
Nergens anders is Russische kunst van de 11de tot het begin van de 20ste eeuw zo volledig bijeengebracht; alleen het Russisch Museum is vergelijkbaar. Maar de canon is hier gevormd: Tretjakov kocht bij tijdgenoten wat híj belangrijk vond, en zijn particuliere keuze werd wat wij nu de Russische school noemen. Wie de 19de eeuw elders bekijkt, ziet scherven.
De verschijning van Christus aan het volk van Aleksandr Ivanov — het doek heeft een eigen zaal; Bojarin Morozova en De ochtend van de strelitzenexecutie van Vasili Soerikov; Ivan de Verschrikkelijke en zijn zoon Ivan van Ilja Repin; Meisje met perziken van Valentin Serov; De ridders van Viktor Vasnetsov; de zalen met oud-Russische iconen. De Drie-eenheid van Andrej Roebljov hangt er niet meer: de icoon is in 2023 aan de Kerk overgedragen.
Originelen zijn er meer in het Louvre en het Metropolitan; uniek is iets anders — Tsvetajevs verzameling afgietsels, het enige ter wereld volledig bewaarde studiemuseum voor kunstgeschiedenis dat nog naar het oorspronkelijke plan werkt. In Europa verdwenen zulke verzamelingen in de 20ste eeuw naar de depots. Daarbij de Fajoemportretten en de voorwerpen uit Schliemanns Trojaanse schatten.
De didactische verzameling gipsafgietsels van antieke en renaissancistische sculptuur — het plan van Ivan Tsvetajev, in volledigheid zonder weerga; de Fajoemportretten; voorwerpen uit de schat van Priamos, door Heinrich Schliemann in Troje opgegraven; de Egyptische collectie. De Franse schilderkunst van de 19de en 20ste eeuw hangt in de Galerie op Volchonka 14.
Een schatkamer die niet door verzamelen is ontstaan maar door bewaren: de dingen kwamen hier als bezit van de vorst of als gezantschapsgeschenk, en zijn daarom bewaard gebleven waar ze in Europa de smeltkroes in gingen. Van het Engelse zilver uit de zestiende en zeventiende eeuw staat hier meer dan in Engeland zelf. Wie weet hoe weinig er in de Republiek van het zilver van de Gouden Eeuw over is — bijna alles ging om, in oorlogsjaren en bij faillissementen — begrijpt meteen wat het betekent dat een gezantschapsgeschenk vier eeuwen ongemoeid bleef. Schilderkunst is er hier niet: dit is een kamer van voorwerpen.
De Muts van Monomach en de dubbele troon van de kindtsaren Ivan en Peter. Tudor- en Stuartzilver, een verzameling die nergens haar gelijke heeft. Paaseieren van Fabergé. Iconenbekleedsels, panagia’s en kelken uit het Rusland van vóór de Mongolen. De koetsenzalen: kroningsrijtuigen uit de achttiende eeuw.
De Russische avant-garde is het enige Russische kunstsysteem dat op gelijke voet in de wereldcanon is opgenomen, en de grootste verzameling ervan staat hier. Het MoMA en het Centre Pompidou tonen Malevitsj en Tatlin losgeweekt uit hun omgeving; hier hangen zij naast datgene waartegen zij in opstand kwamen, en dat verandert de lezing.
Zwart vierkant van Kazimir Malevitsj, Het baden van het rode paard van Koezma Petrov-Vodkin, werk van Kandinsky, Chagall, Gontsjarova en Larionov, de maquette van de Toren van Tatlin. Ernaast ligt het park Moezeon met ontmantelde monumenten uit de Sovjettijd.
De Hemelvaartskerk van 1532 is de eerste stenen tentkerk van Rusland en het enige bouwwerk van Moskou op de werelderfgoedlijst. Het tentdak is hier constructie en geen versiering, en de Russische bouwkunst van de zestiende eeuw is niet te begrijpen zonder eronder gestaan te hebben. De rest is een reservaat met een middelmatige verzameling: iconen, tegels, handschriften, houten bouwwerken uit het Noorden. En één waarschuwing: het paleis van Aleksej Michajlovitsj dat op alle foto’s staat, is een reconstructie uit 2010 op een andere plek in het park; met het echte Kolomenskoje moet men het niet verwarren.
De Hemelvaartskerk van 1532. De kerk van de Onthoofding van Johannes de Doper in Djakovo, zestiende eeuw, meestal leeg. De Voorpoort met haar opstelling. Het huisje van Peter de Grote, uit Archangelsk overgebracht. Tegels en iconen in de depottentoonstellingen.
Een verzameling van ruim driehonderd jaar oud: zij groeide uit het mineralenkabinet van Peters Kunstkamera en verhuisde met de Academie van Wetenschappen mee naar Moskou. Zo’n honderdveertigduizend stukken maken haar tot een van de grootste mineralogische musea ter wereld, en in de systematiek van gesteente heeft zij in Rusland haar gelijke niet. Naturalis toont steen als deel van een verhaal over de aarde; hier is het omgekeerde het doel — de hele klasse op volgorde, met het gewone stuk naast het uitzonderlijke, want daarvoor bestaat een systematische verzameling. Kom in de wetenschap dat dit een wetenschappelijk museum is en geen vermakelijk: vitrines, etiketten, geen schermen. Wie het verhaal wil, heeft een rondleiding nodig, en die moet vooraf worden besteld.
De systematische collectie — de hele bekende mineralenwereld per klasse. Oeralse malachiet en rodoniet uit de oude kroonverzamelingen. Meteorieten. Steensnijwerk van Fabergé en van de slijperij van Peterhof. Grote stukken van een formaat dat alleen musea van deze ouderdom bezitten.
Een van de grootste verzamelingen muziekinstrumenten ter wereld en de enige plek in Rusland waar het instrument als voorwerp van geschiedenis wordt getoond. Men gaat er van hoorn en goesli tot de synthesizer van Moerzin, genoemd naar de initialen van Skrjabin — het apparaat waarop de muziek bij Solaris werd geschreven. Ook de Staatscollectie van bijzondere instrumenten wordt hier bewaard: Stradivari, Guarneri, Amati. Museum Speelklok laat horen wat een instrument doet als het speelt; hier ziet men eerst waar het vandaan komt, over de hele wereld en over drie eeuwen, en dan pas wat ervan geworden is. Eén ding moet men weten: de collectie is een werkende, instrumenten worden aan musici uitgeleend, en in de vitrine treft men ze niet altijd aan.
Instrumenten van de volken der wereld, van de Russische goesli tot de Japanse koto. De ANS-synthesizer van Jevgeni Moerzin, genoemd naar de initialen van Skrjabin. Autografen en handschriften van Russische componisten. De Staatscollectie strijkinstrumenten, wanneer die in het museum is.
De grootste paleontologische verzameling van het land en een van de grootste ter wereld, en het voornaamste deel is met eigen handen opgegraven: de dinosaurusskeletten kwamen uit de Gobi met de Sovjet-Mongoolse expedities van de jaren veertig en zeventig. Roy Chapman Andrews vond de Vlammende Kliffen in de jaren twintig voor New York en moest vertrekken; daarna werd het veld van deze kant uitgewerkt, en de vondsten bleven hier. Naturalis toont met Trix één dier zo volledig als het maar kan; hier gaat het om iets anders — een hele fauna uit één woestijn, bij elkaar gehouden. Het gebouw uit 1987 is voor deze verzameling opgetrokken en is zelf een monument. Wat hier ontbreekt is de kermis: dit is een museum van botten, en een dinosaurus is er bewijsmateriaal, geen attractie.
Skeletten van Tarbosaurus en Saurolophus uit de Gobi. Een mammoet van de Noordelijke IJszeekust. Panelen en reliëfs die dierschilders voor dit museum maakten — een zeldzaam geval waarin de inrichting zelf een kunstwerk is. De zalen van het precambrium en het paleozoïcum, die populaire musea meestal helemaal niet hebben.
Het best bewaarde interieur van de Moskouse art nouveau: Sjechtel bouwde het huis in 1900–1903 en dacht het tot de deurkruk uit, en de golvende trap met haar kwallenlamp is datgene waarvoor men hierheen gaat in plaats van naar welk museum voor sierkunst ook. Berlage bouwde in dezelfde jaren de Beurs aan het Damrak en dacht ook daar alles zelf, tot het meubilair aan toe; het verschil is dat Sjechtel voor één familie bouwde en dat hier de inrichting op haar plaats is blijven staan. Boven zit een oudgelovigenkapel verborgen die niet openlijk getoond mocht worden, en zij is bewaard. Het gedenkgedeelte — Gorki woonde hier vanaf 1931 — doet duidelijk onder voor de architectuur, en dat moet men vooraf weten: men komt voor Sjechtel, niet voor Gorki.
De golvende trap met haar kwallenlamp. Glas-in-lood en de mozaïekfries met orchideeën langs de gevel. De oudgelovigenkapel op de bovenste verdieping. Gorki’s werkkamer en bibliotheek.
Het enige Moskouse landgoed dat vrijwel volledig is overgeleverd: houten paleis, paviljoens, regelmatig park en vijver staan zoals de Sjeremetjevs ze in de jaren 1750–1770 bedoelden, met nauwelijks negentiende-eeuwse verbouwing. Ostankino noch Tsaritsyno heeft zoveel behouden. Wie in Apeldoorn de herstelde barokke tuin van Het Loo heeft gezien, weet wat een regelmatige aanleg met een huis doet; het verschil is dat men die tuin heeft moeten terughalen en dit park nooit is verdwenen. Aan het paleis is het Keramiekmuseum vastgeknoopt, een van de grootste verzamelingen porselein en glas ter wereld, die hier in de jaren dertig belandde en met het landgoed niets te maken heeft. Twee verschillende musea binnen één hek, en men moet beide in, wetend dat ze over verschillende dingen gaan.
Het houten paleis van 1769–1775 met bewaarde interieurs en ingelegde parketvloeren. De Grot met schelpwerk — iets wat in Rusland nergens anders bestaat. Het Hollandse en het Italiaanse huis, de Hermitage, de oranjerie. Een porseleinverzameling van Meissen tot Sovjetagitatieporselein.
De term Russisch impressionisme is omstreden, en dit is de enige instelling die hem onderzoekt in plaats van illustreert. De waarde zit in het tentoonstellingsprogramma: hier komen werken uit privéverzamelingen die je anders nooit te zien krijgt.
Konstantin Korovin, Valentin Serov, Igor Grabar, Nikolaj Bogdanov-Belski. Het gebouw is een omgebouwd cilindrisch meelpakhuis van de fabriek Bolsjevik: een zeldzaam voorbeeld van industriële bouw die museum werd.
Het oudste evolutiemuseum van Rusland, gebouwd rond een gedachte en niet rond een verzameling opgezette dieren: Kots verzamelde bewijzen van variabiliteit, en de opstelling dient het bewijs. Met Wenen of Berlijn valt het naar materiaal niet te vergelijken, maar naar wijze van betogen staat het op zichzelf. Teylers in Haarlem laat zien hoe een achttiende-eeuws vertoog over de natuur eruitzag; dit is hetzelfde ambacht, een eeuw later en met één stelling.
De verzameling taxidermie uit het begin van de twintigste eeuw van Filipp Fedoelov — naar kwaliteit een van de beste ter wereld; de collectie albino’s en melanisten, door Kots bijeengebracht als aanschouwelijk bewijs van variabiliteit; de zaal «Levende planeet».
Een van de eerste musea van Rusland: het opende in 1859, dertien jaar vóór het Historisch Museum, en opende meteen als reconstructie van het bojarenleven — een destijds ongehoord idee. Men moet hier niet op echtheid tot de spijker letten maar op de gedachte zelf: hoe het midden van de negentiende eeuw zich de zeventiende voorstelde, en wat daaruit voortkwam. Cuypers bouwde in diezelfde decennia het Rijksmuseum en gaf de Gouden Eeuw een gedaante die zij nooit had gehad; het geval is hetzelfde, en het is even leerzaam. De verzameling is intussen echt: meubels, vaatwerk, textiel, tegels. Samen met het Oude Engelse Hof twee stappen verderop is dit het beste paar in Moskou over de stad van vóór Peter.
De zestiende-eeuwse onderbouw, het enige echte deel van het gebouw. De interieurs die Richter in de jaren 1850 opnieuw maakte: de eetkamer, de kamer van de bojarin, de lichtkamer. Betegelde kachels, kisten, vaatwerk en textiel uit de zeventiende eeuw.
Nog geen collectie, maar een instrument: het eerste tentoonstellingsgebouw in Moskou dat volgens museumnormen van de 21ste eeuw is gebouwd — klimaat, licht, overspanningen. De waarde is dat hierheen nu gebracht kan worden wat vroeger niet kon.
Een eigen vaste collectie is er niet — dit is een tentoonstellingsgebouw. Bekijk het atrium (vrij toegankelijk, zonder ticket) en de gevels: daarop zijn reproducties van 34 werken van Russische kunstenaars aangebracht.
Je komt hier voor twee dingen tegelijk: voor de Bachmetjev-garage van Melnikov en Sjoechov — een bouwwerk van wereldbetekenis — en voor de geschiedenis van de Joden in Rusland, die nergens anders van binnenuit wordt verteld. De verzameling originelen is daarbij bescheiden, en dat is goed om vooraf te weten.
Het gebouw zelf — de Bachmetjev-garage uit 1926–1927, een van de belangrijkste bouwwerken van Konstantin Melnikov met overspanningen van Vladimir Sjoechov; Café op de Bassejnaja — een reconstructie van het leven in het sjtetl.
Het oudste bewaarde burgerlijke, niet-kerkelijke gebouw van Moskou. De waarde zit in de gewelven zelf: zestiende-eeuwse interieurs zijn in de stad vrijwel niet meer over, en hersteld zijn ze door Baranovski — de restaurator die het halve oude Moskou heeft gered. Voor Nederlandse ogen is er nog iets bij: in dezelfde eeuw voeren ook de Hollanders op Archangelsk en dreven zij handel met Moskovië, maar van hun kantoren staat niets meer overeind. Hier staat het.
De Schatkamer met haar herstelde interieur uit de zestiende en zeventiende eeuw en de oorspronkelijke gewelven; een opstelling over de Russisch-Engelse handel en vondsten van de archeologen uit Zarjadje.
Een stadsmuseum is in Europa een gewoon genre, maar het materiaal is hier uitzonderlijk van omvang: een miljoen voorwerpen over één stad. Het Amsterdam Museum vertelt zijn stad in enkele zalen en met scherpe keuzes; hier is het omgekeerde — de reeks is bijna volledig, en dat is een andere manier om een stad te kennen. Waarde heeft ook het gebouw: de Proviandpakhuizen van Stasov, een voorbeeldig empirebouwwerk dat men van binnen bijna nooit te zien krijgt.
De vaste opstelling «Geschiedenis van Moskou»: archeologie van de Moskouse bodem, stadsleven, plattegronden en stadsgezichten per eeuw. Apart staan de Proviandpakhuizen zelf, een empiremonument van Vasili Stasov.
Het enige museum in Rusland over het cijferschrift en over de vraag hoe een bericht bij zijn geadresseerde komt — een onderwerp dat verder niemand oppakt. Het is naar de maatstaven van vandaag gemaakt: voorwerp, uitleg en werkend mechanisme staan op gelijke voet, en men komt er zonder gids uit. Een verzameling van wereldrang is er niet en kan er niet zijn: het onderwerp is jong. Bletchley Park vertelt het verhaal van wie de machine brak; hier wordt de machine zelf in een lijn van zesduizend jaar gezet, en Enigma is daarin één post. En dan is er nog het gebouw: dit was de Marfino-sjarasjka, een gevangenis voor geleerden, waar Solzjenitsyn zat en waarover In de eerste cirkel gaat. Het museum zegt dat ronduit.
Cijfermachines van de twintigste eeuw, waaronder de Duitse Enigma. Sovjetapparatuur voor versleuteling. Afdelingen over de cijferschriften van de oudheid en over de cryptografie van nu. Een opstelling over de Marfino-sjarasjka, binnen haar eigen muren.
Lakminiatuur uit vier scholen en propagandaporselein — daaraan is Rusland herkenbaar in de decoratieve kunst van de wereld. Van de vier scholen is Palech buiten Rusland de enige bekende; de andere drie ziet men zelden. Het materiaal is eersteklas; de opstelling blijft erbij achter.
Russische lakminiatuur — Palech, Fedoskino, Mstjora, Choluj; Sovjetpropagandaporselein; een verzameling speelgoed uit de hele wereld; kunstborduurwerk en samowars.
Het panorama van Roubaud is een van de weinige overgebleven werken van een genre dat de top van de negentiende-eeuwse beeldcultuur was en vrijwel geheel is verdwenen. De waarde zit in de inrichting van het schouwspel zelf, niet in het onderwerp: zo keek men vóór de film. Wie in Den Haag in het Panorama Mesdag heeft gestaan, kent het gevoel van de horizon die niet ophoudt; dit doek is groter, en het beeld is een veldslag in plaats van een strand.
Het panorama «Borodino» van Frans Roubaud, geschilderd in 1912: een doek van 115 meter in omtrek en 15 meter hoog. Ernaast de «Isba van Koetoezov», waar de krijgsraad op 1 september 1812 besloot Moskou op te geven.
Een gedenkhuis van Poesjkin heeft Moskou niet: hij woonde hier niet. De waarde van dit museum ligt niet in de echtheid van de muren maar in de volledigheid van een tijdperk — een verzameling voorwerpen, boeken en portretten waaruit de tijd van Poesjkin zich geheel laat herstellen. Voor de relikwieën moet men naar de Mojka in Petersburg; voor de tijd hierheen.
De vaste opstellingen «Poesjkin en zijn tijd» (vijftien zalen in het hoofdhuis van het landgoed) en «Sprookjes van Poesjkin»; uitgaven uit zijn leven, portretten van zijn kring, gebruiksvoorwerpen uit het begin van de negentiende eeuw.
Een science centre naar westers model, geen museum: originelen zijn er niet, opstellingen wel. Voor een eerste kennismaking met natuurkunde werkt het uitstekend, voor de geschiedenis van de wetenschap levert het niets. Wie NEMO in Amsterdam kent, weet precies wat hem te wachten staat.
Zalen voor mechanica, optica, akoestiek en elektriciteit; een spiegellabyrint; wetenschapsshows volgens rooster.
De loebok is een zelfstandig beeldsysteem, geen laag aftreksel van de hoge kunst; in Moskou wordt hij alleen hier getoond. Nederland kent het genre als de centsprent — dezelfde goedkope prent met onderschrift, dezelfde minachting van de kunstgeschiedenis, en pas laat serieus genomen. De verzameling is niet groot, maar het onderwerp is uniek.
Een verzameling volksprenten uit de zeventiende tot de negentiende eeuw en werk van hedendaagse kunstenaars die de traditie voortzetten; drukblokken en een pers.
Een museum gebouwd om wat niet te verplaatsen viel: de brugpijlers uit de zestiende eeuw bleven staan waar ze stonden, en het gebouw kwam eroverheen. Die manier van tonen is zeldzaam, en daarvoor loont het afdalen. In Utrecht kent men het als DOMunder — dezelfde afdaling naar een stad onder het plein.
De witstenen pijlers van de Voskresenskibrug over de Neglinnaja (zestiende tot achttiende eeuw) — het museum is er letterlijk omheen gebouwd; muntschatten uit het centrum van de stad; gebruiksvoorwerpen van het middeleeuwse Moskou.
Dit is een gedenkteken, geen verzameling: de kracht zit in de schaal van het schouwspel en in de Zaal van Herinnering, niet in originelen. Naar museale maatstaf is het middelmatig; ga erheen met dat vooraf in gedachten. Het westelijke front komt er nauwelijks in voor: wie de bevrijding van 1944–1945 zoekt zoals die in Nederland verteld wordt, vindt haar hier niet.
De Zaal van de Roem met de namen van de Helden van de Sovjet-Unie; de Zaal van Herinnering en Rouw; zes diorama’s van de belangrijkste veldslagen; het buitenterrein met militair materieel.
Het enige museum waar het getoonde voorwerp werkt: de automaat gaat aan van een munt, en dat verandert de manier waarop je met het ding kennismaakt. Als monument van het laat-Sovjetleven is het nauwkeurig en eerlijk. Wie het Videogame Museum in Zoetermeer kent, herkent het uitgangspunt — een machine die stilstaat, is geen machine meer.
«Zeeslag», «Gorodki», «Scherpschutter», «Safari» — de automaten werken en staan niet onder glas; en een frisdrankautomaat met het geribde glas erbij.
Een bedrijfsexcursie, geen museum: de waarde zit in de gang door de werkende hal en in de geschiedenis van Einem. Als verzameling stelt het bijna niets voor, en dat verzwijgen wij niet. Voor een Nederlander heeft het onderwerp een thuiswedstrijd: zonder de cacaopers van Van Houten uit 1828 was er van dit alles niets geweest.
Een gang door de werkende fabriekshal, waar de bonbons voor de ogen van de bezoekers worden ingepakt; de geschiedenis van Einem en «Rode Oktober» in originele wikkels en reclames.
Malaja Krasnoselskaja 7 (ingang aan de Lobatsjikstraat 1, gebouw 1) ··
Een attractie, in de lijst gehouden om het beeld volledig te maken. Museale waarde heeft zij niet, en dat zeggen wij ronduit. Het genre is in Nederland bekend van CORPUS in Oegstgeest — dezelfde reis door een vergroot lichaam, alleen daar met meer zorg gemaakt.
Modellen van organen op ware grootte en groter, waarlangs een rondleiding gaat.
Prospekt Mira 119, gebouw 55 (VDNCh, paviljoen 55)